Rondleiding Kerk

door ds. M. van Kooten

Hartelijk welkom in de Grote of Sint Janskerk te Montfoort.

In kort bestek willen we u informeren over de geschiedenis en de bezienswaardigheden van deze kerk.

De geschiedenis van de kerk

In 1283 wordt voor het eerst gesproken over een kerk in Montfoort. Dat is een eenbeukig gebouw geweest. Deze kerk was gewijd aan Johannes oftewel Sint Jan de evangelist.

Op 5 december 1400 werd de kerk op verzoek van burggraaf Hendrik III door paus Bonifacius IX verheven tot kapittelkerk. De burggraven hadden hun thuis op het kasteel waar thans het stadskantoor gevestigd is.

Wat is een kapittelkerk? Een kapittelkerk is een kerk waaraan een college van kanunnikken (een soort monniken) verbonden is. Zij dienden destijds op gezette tijden in het koor de gebeden te lezen en te zingen. Daarvoor was uitbreiding van de kerk met een ruim koor nodig.

Door oorlogsgeweld gedurende de Hoekse (ridders) en Kabeljauwse (stadsbewoners) twisten waarin de Montfoortse Hoeksgezinde burggraaf Jan III (1450-1521) een niet onbelangrijke rol speelde, werd dit kerkgebouw ernstig beschadigd. Om aan financiele middelen te komen tot herstel en uitbreiding van de kerk werd aan paus Innocentius VIII toestemming gevraagd om aflaten te mogen verkopen ten bate van het herstel en de vergroting van de kerk. Die toestemming werd in 1490 gegeven waarop de restauratie en uitbreiding werd voortgezet en de kerk de huidige omvang kreeg. Een ‘aardige’ wetenswaardigheid over de laatstgenoemde paus is dat hij over de Waldenzen . als volgt oordeelde: “Te wapen, en trap deze ketters onder de voet als giftige slangen.” Ook was hij de stuwende kracht achter de heksenprocessen.

Hoewel de kerk tot kapittelkerk is verheven blijkt er toch nooit een college van acht kanunnikken aan de kerk verbonden te zijn geweest waarvoor men toestemming had gekregen. Dit wegens gebrek aan financiële draagkracht.

Om in later stadium te kunnen komen tot het aanstellen van die kanunikken werden memorieheren aangesteld. Dat waren vicarissen die dan bij voldoende middelen kanunnik zouden kunnen worden.

Wat zijn memorieheren? Wel in die dagen geschiedde het dat vele mensen goederen vermaakten aan de kerk in ruil voor een jaarlijkse nagedachtenis van ,hun persoon op de datum van hun overlijden. Dat meld ook in dat op die datum voor het zielenheil van de gestorvene werd gebeden. De memorieheren kregen geld uit die memoriediensten.

Wie meent dat na de Reformatie hier verandering intrad, vergist zich. De burggraaf gedurende die tijd, die ook de memorieheren oftewel vicarissen benoemde, bleef namelijk de moederkerk trouw. Zo kon het gebeuren dat de memoriediensten nog voortgang vonden en de Rooms Katholieke geestelijken daaruit werden betaald terwijl uit de opbrengst van de memoriegoederen de inmiddels hervormde kerk en pastorie werden onderhoudenaar In 1648 werd de heerlijkheid Montfoort inclusief de memoriegoederen aan de staten van Utrecht verkocht.

Zojuist werd de Reformatie genoemd. Daaraan vooraf ging in 1566 de beeldenstorm. Deze storm is aan Montfoort voorbij gegaan. De burggraaf bleef de moederkerk trouw. Er was voor de Reformatie geen noemenswaardige interesse. En toen in het jaar 1575 de Oranjegezinde buurgemeente Oudewater door de Spanjaarden werd herroverd, vele bewoners werden omgebracht en ds. Johannes Galasius werd opgehangen wilde Montfoort zich niet ontfermen over de Oudewaterse vluchtelingen die ternauwernood aan de dood waren ontsnapt. Een heel verdrietige illustratie daaromtrent vinden we in het boek “Oudewaters moord” geschreven door Arnoldus van Duin in 1669. Ene Grietje Pieters was met haar kinderen aan de dood ontsnapt in Oudewater en vluchtte naar Montfoort. En nu citeer ik Arnoldus van Duin: ”Deses Vrouwe dan met veel suckelinge binnen de stede van Montfoord rakende, alwaer zy seer ootmoediglyk Herberg verschocht, voor haer en hare zieke Kinderkens, alwaer zy met droefheyd moeste hooren, Gaet gy! vermaledijden, met UE. jonge ketters, daer gy van daen gekomen zijt.” Grietje moest buiten ovemachten en een der kinderen stierf.

Hoe kwam de Reformatie dan tot stand? Het werd opgelegd door de Staten van Utrecht. In 1581 werd bij plakkaat de uitoefening van ·de Rooms Katholieke religie verboden. In Montfoort trok de burggraaf zich daar niets van aan. Niet dan middels dreigbrieven ging burggraaf Jan IV, die tevens patroon van de kerk was, er toe over geen priester meer aan te stellen. In 1583 kwam de .benoeming van de eerste predikant tot stand. Wedde ontving hij niet. Burggraaf Jan IV stierf enige tijd later en werd opgevolgd als burggraaf door zijn zwager Jan van Merode. Om onbekende redenen werd Matthias Pieters Dykman uit het ambt ontheven. Het duurde tot 1585 dat weer een nieuwe predikant werd benoemd. Zeer waarschijnlijk hebben de Rooms Katholieken en de protestanten tot 1598 de kerk samen gebruikt. De oorzaak daarvan lag niet alleen bij de burggraaf maar ook bij de predikanten. De tweede predikant, Bulcius, was de gereformeerde beginselen niet van harte toegedaan en is vanwege theologische publicaties veroordeelde op de synode van Den Haag in 1586. Toen diens opvolger, Ds. van Diepenbrouck in Montfoort werd afgezet was dat voor de derde maal dat hij losgemaakt werd van een gemeente. En diens opvolger Billichius verliet in 1596 de calvinisten om zich ‘wederomme te begeven onder de gehoorsaemheyt ende inden schoot der Roomsen kerken.’ Uiteindelijk is pas op 8 oktober 1598 de kerk gezuiverd van het Roomse inventaris en voor de gereformeerde eredienst heringericht door een zekere Dirck Dircksz. van Eijk voor de somma van tien gulden. Het zeer zeldzame Mariabeeld hetwelk in de huidige Rooms Katholieke kerk staat is toen aan de slopershamer ontkomen. Overigens werd met beleid gesloopt want in 1612 verkochten de kerkmeesters een partij koperwerk afkomstig van het OLV altaar. Ook na de zuivering bleef het voor de Montfoorters moeilijk om zich aan te passen aan de gereformeerde eredienst. In 1617 kreeg ds. Allarstius het voor elkaar dat het orgel niet meer zou spelen op heiligendagen. Ook zorgde hij er voor dat het beeld van St.Joris dat tot die tijd nog steeds in de kerk stond waarbij men nog menigmaal een kaarsje brandde, verwijderd werd.

De Rooms Katholieken hielden na al deze maatregelen diensten in een schuilkerk aan de Oude Boomgaard. Het verhaal gaat dat het Mariabeeld op onverklaarbare wijze bij de Oude Boomgaard te water is geraakt en later bij baggerwerkzaamheden werd gevonden waarom daarna het einde van de Oude Boomgaard Lievevrouwegracht werd genoemd. In 1863 werd door de Rooms Katholieken “om ’t Wedde” een nieuwe kerk gebouwd. Zij bleven in overgrote meerderheid, ongeveer vier maal zo groot als het aantal protestanten. En toen in het begin van de twintiger jaren bleek dat hun eigen kerk moest worden afgebroken zijn er vergeefse besprekingen geweest met de toenmalige predikant ds.Timmer van de “Grote kerk” om de oude kerk terug te kopen. De hervormden benutten immers hun kerk ten dele. Daar die besprekingen op niets uitliepen is toen de huidige kerk gebouwd die is ingewijd in 1925.

Het exterieur van de kerk.

De Grote of sint  Janskerk, zoals het gebouw heet, is een laatgothische pseudobasiliek, gebouwd in kruisvorm. Basiliek houdt in dat het middenschip hoger is dan de zijschepen, in tegenstelling tot de hallenkerk, waarvan de schepen even hoog zijnaar Pseudo-basiliek wil zeggen dat het middenschip weliswaar hoger is dan de zijschepen, maar niet zo hoog dat boven het middenschip ook vensters zijn aangebracht. Het kapelletje aan de zuidkant dat thans dienst doet als kerkvoogdijkamer is in het begin van de 16e eeuw gebouwd. Op 28 maart 1629 is door blikseminslag de kerk inclusief toren in vlammen opgegaan terwijl 72 woningen in de as werden gelegd. Ook het klokkenspel dat zich benevens de luidklokken in de toren bevond is toen vernield. Op 25 januari startte daarop een grootse restauratie terwijl anderhalf jaar later de kerk weer in gebruik kon worden genomen. Hoofdaannemer was daarbij Jan Willemsz. Bus. Aan de vooravond van de ingebruikname werd in de herberg van Hendrick Jansz. Schilthouwer een etentje gegeven voor alle timmerlui met echtgenotes alsmede de koster en de kerkmeesters. Daarbij werden 37 kannen wijn en 18 vaten bier opengemaakt.

Bij die restauratie is ook de toren uitgebreid met een vijfzijdig traptorentje van gele ijsselsteentjes. De toren was aanvankelijk hoger dan momenteel het geval is. Waar thans de spits zich bevindt was vroeger een achtkantige geleding met daarop een achtkantige open lantaarn. De voormalige bovenbouw is in 1877 afgebroken omdat de toren ging verzakken.

 

Drie klokken werden in 1630 geschonken door de toenmalige burggraaf de Merode. Deze wilde niet financieel tegemoet komen aan de restauratie van de kerk daar hij Rooms Katholiek was. Omdat het uurwerk en de klokken voor het algemeen belang waren deed hij deze schenking. Helaas is er slechts één van deze klokken nog aanwezig. De middelste van de drie is in 1913 wegens beschadiging verkocht aan de firma Eijsbouts te Astenaar De opbrengst, f.1.275,- werd gebruikt om de kosten van een nieuw uurwerk te bestrijden De kleinste klok is in 1943 door de bezetters gevorderd en naar Duitsland gevoerd. Zodoende is er slechts een klok over. Als randschrift staat te lezen “Lavdate eum in cymba lis bene sonantibus lavdate eum in cymbalis bene sonantibus lavdate eum in cymbalis ivbilationis omnis spiritus lavdet Dominvm. (Dj. Looft Hem met welklinkende cymbalen, loofft Hem met cymbalen van vreugdejubel. Alles wat adem heeft, love den Heere). De hoogte van de toren is exclusief de haan 46 meter. De lengte van het kerkschip, inclusief de gedeeltelijk ingebouwde toren en het koor is 58 meter. De kerk heeft een kruisvormige plattegrond. Het middenschip eindigt in een vijfzijdige apsis (d.i. een veelhoekige afsluiting van een koor). De zijbeuken zijn aan de oostzijde recht afgesloten. Op de hoek tussen de apsis en de noordelijke zijbeuk is een rond traptorentje gebouwd. Dat torentje bevat een wenteltrap en leidt naar de ruimte boven de sacristie (thans consistoriekamer). Daar bevindt zich op de 1e etage het archief en op de 2e etage de verwarmingsinstallatie. Op de scheiding tussen het middenschip en de zijbeuken zijn zuilen aanwezig. Straks meer daarover. Tegen de zuidelijke gevel staat een uitgebouwde rechthoekige kapel die thans als kerkvoogdijkamer fungeert.

De westelijke gevel wordt gedomineerd door de toren, staande tussen de twee topgevels die de zijbeuken afsluiten. De toren telt vier geledingen en dit gemetselde gedeelte is ongeveer 30 meter hoog. In de onderste geleding bevindt zich de ingang die niet gebruikt wordt. Het kerkbezoek vindt plaats middels de noord- en zuidingang. Boven de ingang bevindt zich nog een console waarop in vroeger tijden een heiligenbeeld heeft gestaan.

De noordzijde van de kerk heeft zes spitsboogvensters met tracering en glas in lood. Naast elk venster is er een steunbeer gemetseld. Tegen de zuidzijde die bijna identiek is met de noordzijde bevindt zich de aangebouwde kapel. Terwijl tussen de steunberen muurtjes zijn gemetseld. Dat waren vanouds ‘knekelhuisjes’.

De oostzijde van de kerk laats ons de zijbeuken zien met afgesloten halve puntgevels. De apsis, de koorsluiting dus, heeft vijf zijden, waarvan vier voorzien zijn van spitsboogvensters terwijl tegen de vijfde zijde het traptorentje staat. De steunberen tussen de vensters zijn voorzien van smalle gotische nisjes waarin voor de reformatie zeer waarschijnlijk beeldjes hebben gestaan.

De kerk is overdekt met elkaar kruisende zadeldaken. Het zadeldak boven het middenschip en zijschepen vertoont een knik op het grensvlak van de schepen. Als dakbedekking voor alle daken zijn leien gebruikt, die op de Rijnlandse manier zijn gelegd. Eind 1995 zijn ook de steunberen van leien voorzien om het vocht te weren. Toen zijn vanwege de arbo-wetgeving ook beveiligingshaken voor dedakwerkers op het dak aangebracht. Op de kruising van het dwars en middenschip is een houten achtzijdige dakruiter geplaatst.

In de jaren 1978-1982 heeft een grote restauratie plaatsgevonden. Deze restauratie kostte f.8.500.000,-. Dit werk is uilgevoerd door de firma Woudenberg uit Ameide ol.v. ir. R.Visser.

Op zaterdag 10 april l982 voorafgaande aan de officiele ingebruikname van de kerk werd een open dag georganiseerd. Volgens een bericht in “Zenderstreeknieuws” verwachtte de kerkvoogdij, en zou zij er ook op toezien dat de bezoekers zich zouden gedragen overeenkomstig de waardigheid van het kerkgebouw.

Op woensdag 14 april1982 werd de kerk in gebruik genomen. De plaatselijke predikant sprak toen over Spreuken 18:10a: “De Naam des HEEREN is een Sterke Toren.” Dit Bijbelwoord staat ook als randschrift te lezen op het kerkelijk zegel. Tijdens deze preek zei ds. H. Penning o.a.: “Wij zijn in grote nood als we buiten Christus zijn. Zonder het bloed van Christus kunnen we niet voor onze Schepper bestaan. Er is echter van Gods kant een weg ter ontkoming gegeven. De Heere Jezus Christus kwam op deze aarde. Voor Hem was er een kruis en geen hoog vertrek. Hij moest zorgen dat er betaald werd opdat er een Sterke Toren zou zijn ook in Montfoort. Haast u als deze God niet uw Sterke Toren is. Laat geen gelegenheid onbenut om hier in de kerk aanwezig te zijnaar Zet u onder de prediking van het Woord. Zijn naam mag hier verkondigd worden.”

Het interieur van de kerk.

We starten onze rondwandeling in het koor van de kerk.

Als u naar beneden ziet dan ontwaart u diverse grafstenen die door de gehele kerk verspreid liggen. Het zijn er in totaal 176. Er zijn er maar enkelen die beschadigd zijn in de Franse tijd. De mooiste zerken liggen in het koor. In de zuid-oosthoek van het koor waar vroeger het Sint Anthoniusaltaar stond, ligt nog een zerk van het familiegraf van de heren van Montfoort. Daarop lezen we “In het jaars ons Here 1529 op St. Matthysdach stierf die Edele en Hooch ghebore Vrouw Charloet, outste dochter van Brederode en Vrouwe tot Montfoort.” Zij was de weduwe van Burggraaf Johan III.

Tevens bevindt zich daar vlakbij een gesneden cartouche met memorie-tafel van de familie van Wijnbergen. Deze is in de muur ingemetseld.

Voor enkele grafstenen willen we uw aandacht vragen. De grafsteen van I. Story en zijn vrouw M. Foreest, ambachtsheer van Willeskop en Blokland. Deze ligt midden op het koor. lets meer op de sacristie aan liggen de zerken van Hermanus van Hees, oud burgemeester van Montfoort; Johan van Cortenes, secretaris der stad en ’t land Montfoort en H.A.Schinkel. Laatstgenoemde grafsteen bevat een wapen met een hek en een boom op grasgrond. Van de familie Schinkel (Schinckel) zijn nog zes andere stenen te vinden in de kerk. . Een vijftal bij de toegangstrap naar het orgel en nog een in het zuidertransept.

Er hebben in de zestiende en zeventiende eeuw blijkbaar heel wat Schinkels in Montfoort gewoond. Een interessant gegeven hierbij is dat op 23 juli 1568 ene Herman Schinckel in Delft publiek ter dood werd gebracht vanwege de verkoop van ‘ketterse boeken’. Hij was Montfoorter van geboorte. Deze man schreef vanuit de gevangenis nog brieven van troost aan zijn vrouw en kinderen maar ook aan zijn moeder te Montfoort.

In het noorder transept bevindt zich een zerk van Christiaan Moltzer die zijn gehele leven de Hervormde gemeente Van Montfoort heeft gediend. Hij is overigens ook de enige predikant van wie bekend is dat hij hier in de kerk is begraven in tegenstelling tot meerdere burgervaders wier graven we nog kunnen vinden .

Naast een groot aantal grafstenen heeft de kerk ook een 26 tal wapens in de kerk gehad die aan de zuilen en wanden hingen. Dit volgens een kroniek uit 1759. Op een afbeelding uit 1735 is dat goed te zien. Volgens genoemd kroniek hing er ook een herinneringsbord van het timmermansgilde in de kerk daterend uit 1644 met o.a. de volgende inhoud:

Die dan de Tmmerkunst met Joseph exerceren,
Dat zij met hart en hand God als haar Meester eeren
Hij, Hij is ons Patroon, ons eenig Opperhoofd,
Ons Gild kent anders geen, dan die hier werd gelooft.

Helaas is dat alles verloren gegaan.

Ziet u in het koor rondom u dan ontwaart u drie pilaren. Het totaal zuilen aantal bedraagt 17. De drie pilaren die u hier ziet zijn slanker als die uit het kerkgedeelte aan de ander zijde van het schot. De natuurstenen zuilen hebben hoge achthoekige basementen en ronde schachten. De kapitelen zijn versierd met op koolbladeren gelijkend loofwerk. In het kerkschip zijn er velen zwaar beschadigd bij de brand van 1629. Die littekens zijn ook bij de laatste restauratie niet weggewerkt. De zuilen uit het koor zijn bij de laatste restauratie vervangen.

Het koor, schip en de twee transepten van de kerk zijn overdekt met een blauw geschilderd tongewelf, de zijbeuken met een half tongewelf terwijl het torenportaal is overwelfd met een kruisribgewelf. Het kapelletje (thans de kerkvoogdijkamer) en de voormalige sacristie (nu consistoriekamer) hebben een stenen overwelving. In het kerkgedeelte zijn op de hoeken van het tongewelf gebeeldhouwde en geschilderde consoles te zien. Deze consoles brengen soms wel eens hilariteit te weeg bij hen die voor het eerst plaats nemen in het bedehuis.

Boven in het koor is een herinneringsbord zichtbaar. In herinnering wordt gebracht dat in 1852 een nieuw plafond is aangebracht.

In de noord-oosthoek van het koor is de ingang naar de sacristie en het torentje. De sacristie was vanouds de ruimte waar de priester zich verkleedde. Thans komt de kerkenraad er bijeen voor de aanvang van de kerkdienst. Ook worden de kerkenraadsvergaderingen daar gehouden alsmede doopzitting. Naast de deur heeft het Sint Jacobs altaar gestaan Overigens is in de muur een diepe nis te zien. Waarschijnlijk was dat het sacramentshuisje waarin vanouds de geconsacreerde hosties werden bewaard.

We hebben gewezen op het Antoniusaltaar en het Sint Jacobsaltaar. Er waren er nog meer. Het Grote Altaar, gesitueerd in het midden van de apsis en dan vervolgens het altaar van Maria, Johannes de Doper, Maria Magdalena, Sint Nicolaas, Sint Judocus, Sint Georgius, het Heilige Kruis en het Heilige Graf. Over laatstgenoemd altaar en kapel straks meer. Overigens had elk altaar zijn eigen vicaris in de dagen voor de reformatie.

Een gedeelte van de kerk wordt maar gebruikt voor de eredienst. Het koor is door een schot afgescheiden terwijl de helft van de transepten en het grootste gedeelte van het middenschip slechts in gebruik zijn voor de erediensten. Tussen de zuilen zijn daartoe twee en halve meter hoge schotten aangebracht. Er zijn 570(voor de uitbreiding) zitplaatsen varierend van statige luifelbanken tot eenvoudige stoelen. Bij de laatste restauratie van de kerk is het orgel een zuil achterwaarts geplaatst zodat het huidige aantal zitplaatsen bereikt werd. In beide transepten zijn enkele jaren geleden de zitplaatsen uitgebreid zodat het aantal zitplaatsen nu rond de 700 ligt.

Het negentiende eeuwse schildering met daarop de tien geboden geschilderd is afkomstig uit de Nederlandse Hervormde kerk van Linschoten. Daar werd het wegens de restauratie van 1974-1977 overbodig. De losse tien geboden borden die voor de laatste restauratie aan het witte schot aan weerszijde van de kansel hingen zijn in het koor van de Linschotense kerk bevestigd.

Over de afsluiting van koor en kerk is nog het volgende te melden. In 1795, toen de zgn. Franse tijd begon kwam voIledige godsdienstvrijheid en mochten de Rooms-Katholieken uit hun schuilkerken komen. Doorgaans werd de kerk van een gemeente toegewezen aan die godsdienstige groepering die de meerderheid had. Met name in Brabant zijn toen vele oude kerken die vaak veel te groot waren voor de protestanten weer in Rooms-Katholieke handen gekomen. In Montfoort zou dit ook zo dienen te zijnaar De stedelijke overheid was echter gereformeerd. Het al of met afstaan van de kerk werd een stevig discussiepunt. Het plan werd zelfs geopperd om de kerk door Rooms-Katholiek en Hervormd samen te laten gebruiken. Waar thans het schot koor en kerk scheidt zou dan een dikke muur worden gemetseld zodat de Hervormden in het koor en de Rooms-Katholieken in het schip samen zouden komen. De kerk zou in dat geval een zogenaamde simultaankerk zijnaar De langdurigheid van deze discussies leverde dit op dat uiteindelijk de protestanten toch hun kerk mochten behouden. Dit omdat in 1801 weer een nieuwe staatsregeling van kracht werd die besliste dat elke kerk in het bezit bleef van hetgeen in het begin van de eeuw reeds in bezit was. Omdat in 1800 de gereformeerden de kerk nog in bezit had den lag de oplossing voor de hand. De protestanten bleven wettig eigenaar.

En dan nu het meubilair.

De preekstoel is een kunststuk uit 1670 van Jan Oudhuizen. Hij wordt gedragen door vier heraldieke vogelfiguren. De kansel is voorzien van een koperen lezenaar uit 1725. Vanouds bevond zich blijkens een tekening uit ca. 1735 die in het Rijksarchie£ te Utrecht bewaard wordt, ook een doopvonthouder op dezelfde hoogte daar destijds bij de bediening van de Heilige Doop de predikant niet van de kansel kwam maar de doopvader staande op een hoge doopstoel zijn kind ten doop hield. Echt een zichtbaar sacrament dus. Bij de laatste restauratie is de kansel goed onder hand en genomen. Het eenvoudige trapje aan de achterzijde werd vervangen door een nieuwe trap aan de zijkant, zodat de predikant zichtbaar voor de gemeente de kansel beklimt. De huidige trap met houtgesneden hekwerk is in aangepaste stijl vervaardigd door de houtsnijwerker  J. de Graa£ uit Streefkerk.

Het doophek met knorrenlijstdecoratie dateert van 1675 en de koperen lezenaar evenals die van de kansel uit 1725. Deze wordt nog steeds gebruikt daar de voorlezer nog in ere gehouden is.

De herenbanken zijn uit het einde van de 17e eeuw. Blijkens een afbeelding uit 1735 hebben deze vroeger aan weerszijde van de preekstoel gestaan. Deze herenbanken zijn met voorlezersgestoelte, de ‘tuin’ en alle andere banken geverfd met een speciale techniek, ook wel ‘houten’ genoemd.

Opvallend zijn de toegangsdeuren aan de de noordelijke zijde van de kerk. Het zijn opgeklampte eikendeuren met zeer merkwaardige houtverbindingen Voor de verbinding van de opgeklampte delen heeft de timmerman de vormen en contravormen gebruikt van een mensenhoofd, hart o£ vis. Deze deuren zijn uniek in Nederland.

Dan betreden we thans de zuidelijke kapel. Deze kapel die nu fungeert als kerkvoogdijkamer werd vanouds genoemd de kapel, van het ‘Heilige Graf’. Waarschijnlijk heeft voor de reformatie in deze kapel een schaalmodel gestaan van de Heilig Grafkerk te Jeruzalem. In die kapel werd tevens het archief van het armenfonds van de Heilige Geest bewaard. Tijdens de laatste restauratie werden in de opvulling van het kruisgewelf scherven gevonden van gebrandschilderd glas. Deze stukjes zijn de oudst bewaard gebleven fragmenten van gebrandschilderd glas in Nederland. Het glas is vijftiende eeuws. Van deze scherven is een collage gemaakt en in een venster van de kapel geplaatst. Volgens “De Geheimschrijver van Kerk en Staat” in 1759 moet er ook na de reformatie veel gebrandschilderd glas zijn geweest in de kerk. “Schilderstukken in de Glasen zijn voortijds daar in zeer fraai geweest; doch nu door den tijd zoodanig buyten haar eerste schoonheid geraakt, dat men daar niets af kan zeggen; dan alleen, dat vele aanzienlijke en brave Familien die met hunne Wapens hebben gelieven te vereeren en waarschijnlijk het geheele Glas zullen bekostigd hebben.” Een gedeelte van de muurschilderingen uit de kapel is weggenomen en ingelijst. De schildering die Maria en het Kind moet voorstellen wordt aldaar bewaard.

Het orgel

Hoewel jarenlang de kerkuimte het geklank van het orgel moest ontberen heeft tot de brand in 1629 een orgel in de kerk gestaan. Van dat instrument is niets bekend. Wel weten we dat als organisten verbonden zijn geweest ene Cosmas van Barten en diens zoon Jacob. Op het stadsarchief is een overeenkomst bewaard gebleven waarin genoemde organisten instructies kregen over het orgelspel. Voor en na de dienst moest het orgel bespeeld worden. Tevens moesten zij een half uur durende orgelbespeling verzorgen op elke woensdag en vrijdag.

Na de brand duurde het tot 1868 voordat weer een instrument werd geplaatst. Dat was een orgel van de firma Knipscheer uit Amsterdam. Dit orgel dat voor de som van f.400,- werd gekocht bleek at spoedig te klein te zijn en werd in 1887 verkocht aan het kerkgebouw van de Nederlands Protestanten Bond te Oudewater voor f.150.-, De kerkvoogdij besteedde daarop f.900,- voor een orgel dat in 1887 door de firma van de Bijlaart te Utrecht werd geleverd. Reeds in 1889 werd dat orgel door J.J.van de Bijlaart te Dordrecht uitgebreid. Dat kostte f.350,-.

In 1904 was dit orgel in zodanige staat dat de kerkvoogdij op aandrang van de toenmalige predikant T. Lekkerkerker overging tot de aanschaf van een ‘nieuw’ orgel.

Dit orgel werd voor f.2200,- aangeleverd door de orgelfabrikant Vermeulen uit Woerden. Hij bouwde ook de kas en een gedeelte van het mechaniek. De rechte afkomst van dit orgel is echter onbekend; Het vertoont alle kenmerken van het Vlaamse rococo-orgel. Er is wel eens gesuggereerd dat Delhaye de bouwer is geweest. Ook wordt de naam van Petegem wel genoemd.

Op 12 mei 1904. werd het orgel in gebruik genomen. De toenmalige predikant sprak toen (het was hemelvaartsdag) over Psalm 47:6 “God vaart op met gejuich, de Heere met geklank der bazuin”. In de kerkvoogdijkamer hangt een pentekening met onderschrift dat deze herinnering levend wil houden Bij de laatste kerkrestauratie (1971-1981) is het orgel vakkundig gerestaureerd door de firma Verschueren uit Heythuysen  die het in 2002 ook heeft uitgebreid met een vrij pedaal. Het orgel telt nu 26 stemmen

De huidige dispositie luidt:

Hoofdwerk: Bourdon 16’ Montre 8’ Bourdon 8’ Prestant 4’ Flute 4’ Nasard 3’ Doublette 2’ Sexquialter  Fourniture V st, Cornet V st, Trompette 8’ Vox Humaine 8’en Clairon 4’ B

Bovenwerk:  Bourdon 8’Prestant 4’ Flute 4’ Nasard 3’ Doublette 2’ Tierce 1 3/5 Cornet III

Cromhorne 8’

Pedaal: Sousbasse 16’ Flute 8’ Flute 4’ Bombarde 16’en Trompette 8’

Speelhulpen : koppel HW-BW,  koppel Ped-HW,  tramblant BW